loodskotter - tekening

klassieke loodskotter

seinvlaggen

seinvlaggen (zie vlag G en H)

seinvlaggen (print-versie)

seinvlaggen (print-versie)

de geschiedenis van het loodswezen

loods, een eeuwenoud beroep

De functie van loodsen, mensen die vreemde schepen tussen de Vlaamse banken voor onze kust moesten leiden en vooral naar de achterliggende havens brengen, is ook bij ons al eeuwenlang bekend. In de middeleeuwen waren het vaak vissers die aan boord van vreemde schepen werden gevraagd om te loodsen. Het gebeurde zelfs dat kapiteins van koggen, kraken, hulken of andere vrachtschepen van die tijd een roeiboot uitzetten om in het dichtste vissersdorp een schipper of stuurman te zoeken die hun schip veilig naar zijn bestemming kon loodsen.

Brugge, dat hier toen de belangrijkste aanvoerhaven was voor vreemde schepen, selecteerde al zelf bekwame zeelui en stuurde ze uit naar de vreemde schepen om ze naar de eigen haven te lokken en om ze veilig tussen de zandbanken van het Zwin te loodsen. Maar toen de haven, en later de voorhavens Damme, Hoeke en ten slotte Sluis voor grote schepen niet meer bereikbaar waren door de verzanding, nam Antwerpen stilaan de rol van Brugge over. Die stad zorgde voortaan voor loodsen en stimuleerde de bouw van grotere loodsboten.

de 19de eeuw, een moeilijke periode voor onze loodsen

In de 19de eeuw werden onze gewesten eerst bestuurd door Frankrijk, daarna samengevoegd bij Nederland tot we in 1830 het onafhankelijke land België werden.

De Fransen hadden wel belangstelling voor de scheepvaart en de versterking van het loodswezen, zeker vanaf 1806 toen Napoleon Antwerpen wilde uitbreiden tot een militaire haven voor zijn strijd tegen Engeland. Maar na de val van Napoleon hadden de Nederlanders het hier voor het zeggen. De tol die ze voordien hieven op de schepen die de Schelde binnenvoeren, verdween wel, maar enkel loodsen uit Vlissingen mochten de vreemde schepen begeleiden op zee en naar Antwerpen. De Vlaamse loodsen mochten de schepen enkel terugbrengen naar Vlissingen.

Na de Belgische onafhankelijkheid werd het nog pijnlijker. Nederland sloot opnieuw de Scheldemonding af. Pas met het fameuze Scheidingsverdrag van 1839 in Londen ging de Schelde weer open. De grote mogendheden bepaalden daarbij dat de schepen hun loodsen vrij mochten kiezen en dat België op beide oevers van de Schelde een loodsstation mocht vestigen. Zo kwamen Belgische loodsen met hun familie in Vlissingen terecht en kon de harde concurrentiestrijd tussen Nederlandse en Belgische loodsen beginnen.

loodsboten

In de tweede helft van de 19de eeuw zetten zowel de Nederlandse als de Belgische loodsdiensten meestal drie types van loodsboten in: schoeners, dundee kotters en klassieke kotters.

Schoeners waren tweemasters van 22 tot 30m lengte en met een breedte van ruim 6m. Het waren ranke zeilschepen die bijzonder snel konden varen en goed naar het roer luisterden. Naast de bemanning konden 8 loodsen aan boord verblijven. Er waren meestal twee zeewaardige roeiboten aan boord waarmee de loodsen aan en van boord van het vreemde schip gebracht werden. Soms werden ook dundee kotters ingezet, eveneens tweemasters, maar een stuk kleiner. Naast de bemanning was daar slechts plaats voor vier loodsen.

Van die grote loodsboten lagen er permanent 12 op zee. Ze lagen op diverse plaatsen aan de Engelse zuidkust en zelfs in de buurt van het eiland Wight voor de schepen die uit het westen en het zuiden kwamen aanzeilen. Andere lagen voor Walcheren en zelfs voor de Waddeneilanden om tijdig de schepen uit Schotland, Duitsland en de Scandinavische landen in het oog te krijgen. Ze lagen niet passief te wachten tot een schip met de geel-en-blauw gestreepte seinvlag "G" te kennen gaf dat het een loods aan boord wenste, maar gingen hun diensten zelf aanbieden. Daar speelde de concurrentie met de Nederlanders natuurlijk. Het gebeurde dat, bij gelijke aankomst van hun loodsboten, de roeiers die de loods aan boord moesten afzetten, nog voor de eindspurt zorgden. Soms werd de "eindstrijd" nog aan de meet met de roeispanen letterlijk uitgevochten.

Een derde type loodsboot, de klassieke loodskotter met één mast, het type schip dat wij nu aan het herbouwen zijn, werd dichter bij de kust ingezet bij voorbeeld tussen de lichtschepen van de Westhinder en de Wandelaar.

Maar die handige zeilboten deden vooral dienst om voor de aflossing van de loodsen op de grote schepen te zorgen. Ze lagen ook voor Blankenberge en voorbij Walcheren om de loodsen op te pikken die schepen naar de open zee hadden geleid . Die konden ze dan rechtstreeks naar Vlissingen terugbrengen.

In de 20ste eeuw zullen die prachtige zeilschepen plaats moeten ruimen voor gemotoriseerde metalen schepen. De klassieke kotter zal nog een hele tijd in gebruik blijven van gefortuneerde sportzeilers. Tot ver in de 20ste eeuw beheersen kotters nog de internationale regatta's.

zie ook

het herbouwen van een negentiende-eeuwse loodskotter

 lees verder