de Blankenbergse schuit B1 Sint-Pieter (foto Frank Leentjes)

B1 Sint-Pieter

de B1 Sint-Pieter bij de zeewijding in 2002 (foto Frank Leentjes)

bij de zeewijding in 2002

tewaterlating van de B1 Sint-Pieter op 10 september 1999

bij de tewaterlating

de B1 Sint-Pieter op de werf

op de werf

de Blankenbergse schuit - aanzicht (tekening Ward Heineman)

aanzicht door Ward Heineman

de Blankenbergse schuit - plan (tekening Ward Heineman)

plan door Ward Heineman

de Blankenbergse schuit - voornaamste kenmerken

voornaamste kenmerken

de Blankenbergse schuit - constructie van de romp

constructie van de romp

de Blankenbergse schuit of scute

Hoe ze precies ontstaan zijn is niet duidelijk, maar van de 17de tot de 19de eeuw beheersen de Blankenbergse schuiten onze zeevisserij aan de oostkust. In de 15de eeuw telde de Blankenbergse vissersvloot naast veel kleine bootjes ook een 10-tal grotere schepen, meestal haringbuizen. Maar in de 16de eeuw verschijnt die kloeke schuit of scute voor het eerst in beeld. Op een schilderij van omstreeks 1550 van de school van Lanceloot Blondeel, met een afbeelding van de haven van Nieuwpoort, zien we een aantal vissersboten die sterk gelijken op Blankenbergse schuiten.

De Blankenbergse schuit heeft het silhouet van een middeleeuws scheepje. Sommigen menen dat ze teruggaat op de kloeke zeeschepen van de Menapiërs, of zelfs van de Noormannen. De Middelnederlandse benaming scute is wellicht verwant met de benaming skuta uit oude Vikingteksten. Feit is dat de schuit vooral gelijkenissen vertoont met de Zeeuwse kogge (een soort van vrachtschip) en de dogger waarmee op kabeljauw werd gevist.

vorm en constructie

Blankenberge had geen schuilhaven en de schepen moesten er op het strand aanmeren. En als er behoorlijk wat branding stond, moest de schuit het bonkend aankomen op het strand aankunnen. Geen nood. Het was een bijzonder stevig gebouwd schip met platte bodem, van ruim 11m bij een kleine 5m en met een diepte van 3m. Ze stak maar een halve meter onder de waterspiegel.

De schuit had geen kielbalk, die zou maar hinderlijk zijn geweest bij het stranden. Wel liep van voor- tot achtersteven een stevige eiken plank. Dwars op die kielplank stonden dicht bij elkaar de zware eiken spanten, waarop de brede planken (gangen) van de buitenhuid vastgespijkerd werden, samen met voor- en achtersteven. Die planken waren in olmenhout van 5cm dik en werden overnaads aangebracht. Dat betekent dat de onderrand van elke plank over de bovenrand van de vorige kwam. Aan elke kant van de kielplank stonden 9 gangen. De naden tussen de planken werden met hennepvezels en pek dicht gekalfaat. Om dat kalfaat vast te houden kwam daar nog een lat over.

De scheepsboord naar de voorsteven toe liep hoog op, was gezeegd. Die voorsteven was daarenboven vrij rond, en dat bepaalde ook sterk het beeld van de Blankenbergse schuit.

mast en zeilen

Het schip had twee strijkbare masten: de grote mast van zon 13 meter rustte in een zwaar blok aan de kielplank en was ook aan de brede dwarsbank van het schip bevestigd; de kleine mast of fokkenmast van 6 à 7m leunde tegen de voorsteven en was vastgemaakt met een touw. Op de spitse top van de grote mast stond een ijzeren spil, waarrond de windvaan met rode wimpel waaide.

Het zeilschip was emmergetuigd, met andere woorden de nagenoeg vierkante zeilen waren aan een ra opgehangen. Doordat die ras op een derde van hun lengte vastgebonden waren aan de mast, hingen ze wat schuin. De natte katoenen zeilen en vooral de ras waren vrij zwaar, en werden daarom met een stel katrollen opgetakeld.

De Blankenbergse schuit had dus geen kiel en dat had het grote nadeel dat het schip bij het zeilen sterk afdreef. Om dat driften of verlijeren tegen te gaan, had het schip over beide zijboorden een zwaard hangen. Dat waren trapeziumvormige borden van bijna 4m lang en 80cm breed. Het zwaard aan de lijzijde werd telkens neergelaten. De vissers maakten het zwaard met touwen aan drie bolders op de scheepsboord vast. Als de schuit van koers veranderde en de wind van de andere kant kreeg , moest de bemanning tegelijk de zeilen strijken en aan de andere kant weer optrekken, en het zwaard optrekken en dat van de andere kant neerlaten. Neen, gemakkelijk zeilen was het niet met zon Blankenbergse schuit.

uitrusting en bemanning

De Blankenbergse schuit was voor een groot deel een open schip zonder dek. Wel was aan de voorkant een overdekte roef getimmerd van 4 bij 4m en 1m30 hoog, als verblijf voor de bemanning. Langs een schuifdeur konden de vissers erin kruipen om te rusten op twee brede planken, één langs elke scheepswand. Er stond ook een kachel, een duveltje, met kolenbak om zich te warmen, koffie te zetten en vis te bakken. Voorts was in de roef nog een spinde, een kastje met proviand. Aan de zoldering hing een petroleumlamp. Achter de roef lag de put met netten, ankers en boeien. De brede mastbank lag dwars over die open ruimte.

Tegen de achtersteven was een verhoog getimmerd van waarop de stuurman zijn roer kon bedienen. Aan stuurboord stond daar de visbak. Tegen de achtersteven was een kotje gebouwd waar het kompas en ander klein gerei in opgeborgen werd. Bij rustig weer kon de stuurman dat kotje ook als zitbank gebruiken. Het roer was een zogenaamd vissend roer, dat gedeeltelijk onder de bodem uitsteekt, maar opgehaald kon worden in ondiep water.

De bemanning van een schuit bestond meestal uit 5 man: de schipper, drie vissers en de scheepsjongen of laver. De scheepsjongen moest niet alleen geregeld koffie zetten en voor de kachel zorgen, maar ook de zeilen nat houden. Hij deed dat met een uitgehold stuk hout met lange steel. De katoenen zeilen waren indertijd niet zo luchtdicht en vingen meer wind als ze nat waren. (Als de scheepsjongen tot aan de windvaan kon gieten, mocht hij met de dochter van de schipper trouwen.)

traditionele bouwmethode

De Blankenbergse schuit werd gebouwd aan de voet van de duinen aan de zeezijde. De scheepsbouwers hadden daar steeds een aantal kromgegroeide boomstammen in voorraad. Voorsteven en spanten werden uit zon kromme boom gehouwen met dissel en bijl. Nadat de scheepsbouwers boven de kielplank het eiken geraamte hadden opgezet, begonnen ze aan het buigen van de olmenplanken. Dat gebeurde boven een houtvuur terwijl de planken voortdurend besproeid werden met water.

Getekende plannen gebruikten de bouwers nauwelijks. Wel hadden ze een aantal mallen liggen die keer op keer opnieuw konden worden gebruikt. De schuit heeft immers bijna vier eeuwen lang nauwelijks wijzigingen ondergaan. Ook toen de vissers van Oostende en Nieuwpoort al lang veel vluggere en beter wendbare kielschepen bouwden, bleef de Blankenbergse visser trouw aan zijn schuit, die de Oostendenaars smalend padde noemden. De laatste platboomde Blankenbergse schuit, de B17 De Vrijheid werd in 1904 uit de vaart genomen.

de B1 Sint-Pieter

Niemand kon toen vermoeden dat bijna een eeuw later een groep enthousiaste mensen uit heel uiteenlopende kringen een spiksplinternieuwe Blankenbergse schuit zou bouwen. Bij gebrek aan plannen gingen ze bestaande schaalmodellen opmeten. Aan de hand van die opmetingen maakte Ward Heineman bijzonder nauwkeurige tekeningen die meer dan bruikbaar waren om te starten.

Maar het gebrek aan plannen was maar n van de vele hindernissen die de vrijwillige scheepsbouwers moesten nemen. De hindernissen waren zowel van financile als technische aard. Het moeilijkste probleem was het vinden van deugdelijk olmenhout voor de dikke huidplanken. Het meeste olmenhout was aangetast door de olmenziekte. Het alternatief, eikenhout ook voor de huidplanken gebruiken, was niet wenselijk omdat bij de historische schuiten altijd olm was gebruikt. Maar met eiken buitenplanken wilde het ook niet lukken, omdat die dikke eiken planken zich niet zomaar lieten plooien. En bij sommigen groeide de twijfel over de haalbaarheid van het project. Tenslotte werd toch overgeschakeld op olm. De meeste scutepioniers hielden vol en op 10 september 1999 kon de B1 Sint-Pieter onder massale belangstelling te water worden gelaten.

actualiteit

de B1 Sint-Pieter
vaart weer

 lees verder